» Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden «

1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

  • a. wegbeplantingen en eenrijïge beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen tenzij deze zijn geknot;
  • b. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
  • c. naaldbomen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;
  • d. kweekgoed;
  • e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;
  • f. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat van 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20;
  • g. houtopstand die moet worden geveld krachtens de plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.12c;
  • h. houtopstanden met een stamdiameter tot maximaal 30 cm, tenzij de houtopstand is geplant in het kader van een herplantverplichting;
  • i. houtopstanden staande in de achtertuin;

3. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

  • a. de natuurwaarde van de houtopstand;
  • b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
  • c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
  • d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
  • e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of
  • f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

4. Voor het bepalen van de diameter van een boom gelden de volgende richtlijnen:

  • a. de diameter wordt gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld,
  • b. bij meerstammigheid geldt als berekening de diametersom van de afzonderlijke stammen.

5. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.